Je zal maar?

Je zal maar net een nieuwe woning hebben betrokken met je kleine gezin. Het keurig netjes te hebben opgeknapt. Je zal maar op de 2e verdieping slapen, naar de toilet moeten op de 1e verdieping en het licht niet aandoen omdat je man net thuis was gekomen uit een late dienst. Je loopt op de tast naar de trap. Je zal maar op de eerste trede van boven een poes onder je voet voelen. In een eerste reactie zal je maar dat beest niet willen killen. Je zal maar door die onevenwichtigheid van de trap af pletteren. Je zal daar maar een hersenschudding, een gekneusde, nek, schouder, elleboog, rib, stuit, enkel en hiel daaraan overhouden. Arme dochter van me. Heel veel beterschap gewenst.

Het kunstgebit

​Ik blijf bezig met herinneringen vanwege andere logjes. Dit keer een bij Narda.

https://nardablog.wordpress.com/2014/01/05/visserslatijn-en-het-verhaal-van-de-brandtoeter-uit-de-jaren-70/

Het was lange tijd vet stoer om met een klein motorbootje vanaf het strand de Noordzee op te varen om een paar kilometer uit de kust te gaan vissen met een hengel. Willem en zijn vriend Bert deden dat vaak en zo af en toe namen zij een gastvisser mee. Gedrieën voeren zij van wal en Henk, de gastvisser kreeg al een beetje een raar gevoel in zijn maag bij het doorsteken van de branding. Dat verergerde zich en op het moment dat ze de visstek hadden bereikt en de haken met aas overboord lagen moest hij overgeven. Dat was op zich niet zo’n ramp, ware het niet dat zijn kunstgebit daar ook mee overboord ging. Doordat gegeven werd hij nog zieker dan voorheen. Willem kreeg medelijden met hem en probeerde hem dmv een geintje wat op te vrolijken. Hij bond zijn eigen kunstgebit aan zijn vislijn, gooide hem onzichtbaar overboord en haalde hem na enige tijd boven. “Kijk nou eens, ik heb je kunstgebit gevangen, Henk”, riep hij vol enthousiasme uit. Toen Henk het gebit in zijn mond stopte, trok hij het er met dezelfde gang weer uit en gooide het in zee met de woorden, “dit is de mijne niet, hij past voor geen meter!”

Brilletje

N.a.v. een logje bij Rietepietz over spreekwoorden, schoten bij mij enkele herinneringen door mijn hoofd. Ten eerste het hout hakken. Om onze boerderij stonden vele grote iepen, die allemaal de iepziekte kregen en dus gerooid moesten worden. Mijn vader was er echt een van de oude stempel. Hij bezat een houtkachel, trekzaag en bijl. Daarmee kreeg hij die enorme grote iepen klein, ja zelfs tot as. Het ergste was, ik moest hem helpen aan de andere kant van de trekzaag. En met de bijl hapklare brokken hakken voor de kachel. Hij liet echter eerst die bomen één of twee jaar liggen op het erf, waardoor het hout zo taai werd, dat je er amper nog doorheen kwam met de bijl. Wij zaten er dus altijd warmpjes bij van al dat hout bewerken.

Jaren later gingen we roeien met ons grote gezin in het recreatieschap van Spaarnwoude. Een stel op een waterfiets en de rest in een roeiboot. Op een wat smaller gedeelte van de vaart wilde een zenuwachtig brildragend mannetje ons inhalen met zijn kano. We probeerde wat ruimte voor hem te maken wat door de overhangende begroeiing niet meeviel. Toch greep de kanoër op een gegeven moment zijn kans. Terwijl hij flink vaart zette, greep een dun overhangend takje zijn brilletje en dat bleef er op een wonderbare manier aanhangen. Het takje zwiepte parmantig op en neer en ieder van ons hield zijn adem in om het brilletje er niet af te blazen. Vervolgens konden wij het eerste kwartier niet meer verder roeien van de daverende lachsalvo’s, vooral toen wij het zenuwachtige mannetje zagen keren en met veel te nerveuze gebaren zijn brilletje van het takje wilde grissen, waardoor het op zijn kano viel en hij het alsnog met een fikse klap van zijn hand het wegglijdende brilletje veilig stelde. Alle Hulken proestte het helemaal uit toen hij trachtte het brilletje op zijn hoofd te zetten en het niet meer paste, zo scheef had hij het geslagen.