Kerstverhaal

Er loopt een man achter een slee te duwen door een groot woud ergens in de taiga van Rusland.
Hij is al uren onderweg en de slee duwen is zwaar door de natte papsneeuw.
Vanmorgen is hij reeds vroeg vertrokken uit zijn zelfgebouwde huis, dat staat op een beschutte maar open plek in het reusachtig grote woud.
Hij heeft zijn vrouw en drie kinderen er achtergelaten om te gaan jagen op zilvervossen.
Van de pelzen van deze prachtige dieren wil hij een bontmantel maken voor zijn vrouw om haar zo een kerstcadeau te geven.

Maar het weer zit niet mee deze dag, het is gaan ijzelen en dat maakt de sneeuw slap waardoor hij maar moeizaam vooruit komt.
Hij weet de plaats waar de zilvervossen vertoeven, omdat hij er in het voorjaar veel jonge vossen heeft gezien.
Hij is daar nu naar toe op weg, terwijl de takken van de bomen rondom hem beginnen te kraken, onder het gewicht van het vele ijs dat ze plotseling te dragen krijgen.
’s Morgens was hij nog onder goede omstandigheden vertrokken en omdat hij met de natuur vergroeid is, zegt het hem dat het weer spoedig zal omslaan en dat het hard gaat vriezen.

Hij houdt de moed erin, door eraan te denken hoe mooi zijn vrouw de bontmantel zal vinden. Zij zal hem met stralende ogen bedanken en zich voor hem ronddraaien om te worden bewonderd.
Deze gedachten dwingen hem door te zetten onder de steeds zwaarder wordende omstandigheden.

Als hij eindelijk de plaats heeft bereikt waar hij in het voorjaar vele vossen had gezien, hurkt hij stilletjes achter een struik om de omgeving te verkennen.
Weldra hebben zijn scherpe ogen de sporen in de sneeuw gezien en hij verplaatst zich behoedzaam naar een betere plek om van daaruit te kunnen jagen.
Roerloos wacht hij af en zijn geduld wordt al snel beloond want hij ziet de eerste zilvervos tussen het struikgewas opdoemen.
Voorzichtig schoudert hij zijn geweer en volgt het mooie dier door de zoeker van het wapen.
Net als hij denkt te kunnen schieten werpt een plotseling lichte windvlaag wat ijs van een tak in de buurt van het dier, dat daarvan schrikt en schielijk wegvlucht.

Het blijft maar ijzelen en de wind trekt aan tot stormachtig, waardoor er in het bos steeds meer lawaai ontstaat.
De takken van de bomen kreunen onder de last van de steeds zwaarder wordende ijsmassa. Sommigen knappen spontaan af.
Vlug werpt de man een blik naar boven en ziet dat hij helemaal niet veilig is op deze plek maar net als hij besluit om ergens verderop te gaan kijken, ziet hij plots weer een zilvervos opduiken.
Vlug richt hij zijn geweer en een droge knal klinkt door het bos, maar hij mist de vos door het gehaaste schot. Het beest schrikt enorm en gaat er vliegensvlug vandoor.
Vervolgens komt de man uit zijn schuilplaats en duwt de slee weer voor zich uit.
Op dat moment breekt er een zware tak van de boom waaronder hij schuilde en wordt hij geraakt aan zijn hoofd.
Zwaar gewond stort hij voorover op zijn slee en blijft bewusteloos liggen.
Thuis is zijn vrouw drukdoende met de kinderen in bad te doen, de kleintjes hebben het geweldig naar hun zin in de houten badkuip, die gevuld is met lekker warm water.
Ze spetteren dat het een lust is en ook moeder wordt kletsnat als zij de kleinste eruit tilt om het af te drogen.
Als de kinderen allemaal weer zijn aangekleed, rolt zij de badkuip op zijn kant voorzichtig naar buiten en leegt hem daar.
Haar blik gaat over de bosrand en zij denkt aan haar man die ver in het woud aan het jagen is en zij bidt dat hij veilig terug mag keren.

Ook zij schrikt van het gekraak van de bomen als er een harde windvlaag door het bos waait.
Zij zet de lege badkuip op zijn kant onder het afdak van het huis en op het moment dat zij naar binnen wil gaan, ziet zij vanuit haar ooghoek plots iets bewegen.
Onmiddellijk kijkt zij in die richting en ziet een forse reebok vanuit de rand van het bos de open vlakte op rennen.
Het dier schrikt ook van de vrouw en probeert ijlings weer de beschutting van het bos op te zoeken.
Als het dier de bosrand opnieuw bereikt valt er een boom, zwaar van de ijzel, door een harde windvlaag om en komt op de reebok neer, die daardoor zijn rug breekt en sterft.

De vrouw ziet het ongeluk onthutst gebeuren en vlucht naar binnen waar de kleine
kinderen haar met geschrokken ogen aanstaren.
“Het is buiten niet pluis”, roept de vrouw tegen de kinderen en haar gedachten gaan naar haar man die in het onveilige bos jaagt.
Zij legt de kinderen in bed en bemerkt daarna dat het buiten minder hard waait, waarop zij besluit de reebok te gaan slachten.
Als zij hiermee bezig is, valt de duisternis over het land maar bij het licht van de maan en de sneeuw rondom haar kan zij toch nog goed blijven doorwerken.

Het begint stevig te vriezen en het wordt bitterkoud als zij de stukken vlees op de slee laadt en die wat later op de schappen in de voorraadschuur legt.
Het vlees zal daar snel bevriezen en niet bederven.
Met Kerst zullen zij allemaal genoeg te eten hebben.
Ze werkt snel door, omdat de roofdieren weldra de geur van het bloed zullen ruiken en dat geurspoor zullen volgen.
Even later hoort zij vanuit de verte het gehuil van een wolf, onmiddellijk gevolgd door een andere .
Zij begrijpt dat er een roedel wolven in de buurt is, die weldra zullen opdagen, waarop zij besluit zoveel mogelijk vlees van de reebok in veiligheid te brengen.
Terwijl zij de zoveelste slee met vlees volgeladen richting schuur trekt, kijkt zij om naar het bos achter haar en ziet de glinsterende ogen van de wolven.

Onmiddellijk begint zij te rennen naar de schuur, gooit de deur vliegensvlug open en trekt de slee naar binnen.
Dan sluit zij snel de deur en dat is maar goed ook want een van de wolven is haar achterna gekomen en botste na een grote sprong tegen de buitenzijde van de zojuist gesloten deur aan, waarop hij zich jankend terugtrekt naar zijn soortgenoten, die zich tegoed doen aan het karkas.
Zij stapelt de laatste stukken vlees van de slee op de schappen en gaat via een binnendeur de woning binnen.
Doodvermoeid valt zij even later bij de warme haard op een grote stoel in slaap.
Buiten vechten de wolven om de laatste stukken vlees van de reebok.

Heel ver in het bos, waar de zwaargewonde man over zijn slee heen ligt, sluipen zilvervossen nieuwsgierig om hem heen.
Voorzichtig ruiken ze aan de man en vinden het maar een vreemd object, ook de beschoten zilvervos is erbij en begint licht klinkende jankgeluiden te maken.
Plotseling duikt er een grote zilvervos op en loopt een paar keer om de slee heen, kijkt dan om zich heen en volgt een twintigtal meters het sledespoor.
Vervolgens keert op zijn schreden terug en maakt jankende blafgeluiden die de andere zilvervossen rusteloos door elkaar heen doen draven.

Opeens pakt een sterk uitziende zilvervos het stuk touw dat aan de slee vastzit in zijn bek en trekt eraan.
De grote zilvervos schiet hem te hulp en weldra komt er beweging in de slee.
Ze trekken hem over het spoor waar de slee vandaan is gekomen en op de nu hard bevroren sneeuw lijkt het hen schijnbaar geen moeite te kosten.
Telkens nemen andere zilvervossen het touw over en trekken de slee voort over het nog steeds goed zichtbare spoor.
De hele nacht gaat dit zo voort, tot zij tegen het ochtendgloren de open plek in het bos bereiken waar het huis staat van de man.
Geschraap aan de deur doet de vrouw geschrokken wakker worden in haar stoel en zij springt verward overeind.

Langzaam loopt zij naar de deur en doet hem héél voorzichtig op een kier waarna zij spiedend naar buiten kijkt.
Onmiddellijk valt haar blik op haar man die half op de slee ligt, maar tegelijkertijd ziet zij ook een troep zilvervossen, die vanaf de bosrand nieuwsgierig toekijken naar het tafereel voor hen.
Zij trekt de slee met haar man daarop naar binnen en constateert vrijwel meteen dat hij aan zijn hoofd gewond is.
Eerst steekt zij de haard aan die gedoofd was en hangt een ketel water boven het vuur. Daarna begint zij haar man te verzorgen en als zij het ergste geronnen bloed heeft weggewassen, verbleekt haar gezicht.
Ze kijkt bezorgt naar zijn gekneusde schedel en vreest het ergste maar op dat moment komt haar man kreunend bij en slaat zijn ogen op.
“Je bent bij mij”, zegt ze zacht, “alles komt goed”!
“Zilvervossen”, kreunt haar man.

Als zij opstaat en door het raam naar buiten kijkt, is de troep zilvervossen verdwenen, waarna zij de zorg over haar man weer op zich neemt.
Als het dan Kerstmis wordt, is de man alweer zover opgeknapt dat hij kan lopen en hij stapt voorzichtig om het huis heen.
Aan de rand van het bos ziet hij plots een zilvervos staan, het is het grote dier dat hem gered heeft.
Zij staren een hele poos naar elkaar en de man roept zijn vrouw.
Híj vraagt haar een groot stuk vlees uit de voorraadschuur te halen en het naar de zilvervos te brengen.
Het dier, toch wel wat schuw voor mensen, verdwijnt in het bos als de vrouw nadert die het stuk vlees op de sneeuw neerlegt.

Als zij terugkomt bij haar man, zien beide dat twee zilvervossen het vlees dieper het bos in slepen, terwijl de grote zilvervos hen nog steeds onbewogen aankijkt.
De vrouw en de man zwaaien met tranen in hun ogen naar de zilvervos waarna deze voorgoed in het woud verdwijnt.
De man kijkt ernstig naar zijn vrouw en belooft haar, dat zij nooit een bontmantel van zilvervosbont zal dragen.
Waarop beide lachend het huis binnengaan en blij het Kerstfeest gaan vieren tezamen met hun kinderen.
En de zilvervossen, die hadden ook een goede Kerst.

Advertenties

32 thoughts on “Kerstverhaal

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s