De heer

De heer Ruyssenaars, u zult hem waarschijnlijk niet kennen? Ik wel. Hij kwam regelmatig auto onderdelen kopen bij het garagebedrijf waar ik destijds werkte. Ik hielp hem altijd keurig netjes omreden dat hij zeer beschaafd Nederlands sprak vanuit het Haarlemse. Hij bezat zelf een klein eenmans-autobedrijf. Zijn rijkgevulde vocabulaire stond haaks op de kledij die hij droeg. De enorm vuile lichtblauwe stofjas met een afgescheurde jaszak en een jasslip in zijn broek gepropt, nodigde een collega van mij uit om hem te imiteren tijdens zijn bezoek aan de balie bij mij. Diegene liep dan achter hem langs, met tot overmaat van ramp een broekspijp in zijn sok. En terwijl de heer Ruyssenaars zijn bestelling deed, diende ik mijn lach daarbij in te houden. Had ik de factuur opgemaakt dan trok hij zijn enorme grote zwarte portefeuille met daarin letterlijk, en misschien ook wel figuurlijk, zwart geld. Ook mijn baas vroeg mij aan het eind van de dag bij het opmaken van de kas, “Ruyssenaars is zeker weer langs geweest?”