Na Kerstbel, Cambell

Treeskus zwijmelen

Advertenties

Kerstverhaal 3

“Opa”, zei David, “opa, ik heb het zo koud”. “Ik zal eens zien of ik nog iets warms heb waarmee ik je kan toedekken”, antwoordde een schor klinkende stem die veranderde in een zware hoestbui. Opa zocht op de tast rond in de kleine berghut maar vond geen deken waarmee hij zijn kleinzoon kon toedekken. Zelf had hij het ook steenkoud en hoestte de longen uit zijn lijf, sinds ze waren teruggekomen na hun lange zware tocht om de schapen uit het berglandschap te halen naar de stal.

’s Morgensvroeg waren zij vertrokken en koude regen teisterde hen een groot deel van de dag. Wanneer zij de kudde terugdreven, ging de regen eerst over in natte – en later in droge sneeuw. Toen ze na de lange tocht waren thuiskomen, stak opa snel de haard aan en een behaaglijke warmte vulde de kleine herdershut. Er is echter weinig hout voorradig en het vuur doofde eerder, dan dat hun natte kleren droog waren. Ze kropen onder een deken en lagen op de lemen vloer. David kon niet slapen omdat hij rilde van de kou.

Opeens werd er op de deur geklopt. Beide stonden snel op en opa trok de deur open. Er stond een man voor hem, die vroeg of hij onderdak had voor hem en zijn vrouw. Opa dacht kort na en zei, “enkel bij de schapen in de stal”. De man ging daar onmiddellijk mee akkoord en opa wees hem vanuit de deuropening de ingang van de stal, waarna hij de deur sloot. Omdat de deur had opengestaan was alle warmte uit de hut verdwenen en David maakte allerlei vlugge lichaamsbewegingen om wat warmer te worden. Even later rolde hij zich in zijn deken en kroop dicht tegen zijn hoestende opa aan en viel vermoeid in slaap.

Midden in de nacht, werd David wakker door een vreemd geluid. Hij wreef de slaap uit zijn ogen en ging voor het enige raam van de hut staan en tuurde naar buiten. Er was veel licht buiten, niet alleen door de sneeuw maar ook door de maan en het felle schijnen van een ster. Het geluid wat hij hoorde klonk als mooi gezang. Hij ging terug naar zijn slaapplaats en probeerde zijn opa wakker te schudden. “Opa, opa”, riep hij hard. Maar opa reageerde niet en voelde koud en stijf aan.

David snapte op dat moment nog niet wat er met zijn opa was gebeurd en liep opnieuw naar het raam. Het licht was er nog feller geworden en opeens ziet hij een figuur die naar hem wenkte. Hij ging naar de deur, deed hem open en volgde de wenkende, prachtig verlichte figuur, die hem naar de schapenstal geleidde. Als hij daar de deur van open doet was daar de stal ook helemaal verlicht. De schapen keken allemaal een richting op en toen David verder de stal inliep, zag hij een kindje gewikkeld in doeken in een voerbak liggen. Bij de voerbak stond een man en een vrouw naar het kindje te kijken. Ook David kon zijn ogen niet meer van het kindje afhouden.

Buiten klonk er muziek en gezangen. Al vlug ging weer de staldeur open en er stapte een naburige herder binnen. Hij liep op de voerbak toe, zonk daarbij op zijn knieën en boog diep zijn hoofd, terwijl hij duidelijk uitsprak, “de Verlosser is geboren!” David begreep niets van die woorden maar vond hij het allemaal heel erg mooi.

Even later kwam de herder naast hem staan en vroeg hem naar zijn opa. “Die, die”, stotterde David, “die wilde niet wakker worden”. Waarop de herder hem terug meenam naar de hut. De herder voelde in het donker naar de hals van David’s opa en weet genoeg. Terwijl hij David dicht tegen zich aantrok vertelde hij de arme jongen dat zijn opa was gestorven. Bij David welden de tranen op in zijn ogen en hij prevelde zachtjes voor zich uit, “eerst pappa en mamma ……en nu opa”. Hij huilde bittere tranen tegen de herder, die hem op een gegeven moment op zijn deken legde en hem toedekte met de extra deken van zijn opa.

David viel spoedig in slaap en bemerkte niet dat de herder opa mee naar buiten nam om hem achter de hut te begraven. Daarna ging hij op zoek naar brandhout en kwam wat later terug om de haard aan te steken. Het vochtige hout brandde langzaam maar verwarmde wel de kleine hut.

Toen David wakker werd had hij grote honger en pakte uit de kast een overgebleven stuk brood. Daarna vroeg hij aan de herder om een schaap te slachten, zodat beide kunnen eten en ook de mensen in de stal. De herder vond dat een goed plan en weldra rook het in de hut naar gebraden vlees. David bracht enkele stukken naar zijn gasten in de stal, die het voedsel dankbaar aannamen.

De herder zei hem waar hij zijn opa had begraven en dat hij terug moest naar zijn eigen gezin. David bezocht even het graf van zijn opa en huilde er diep snikkend bij. Daarna liep hij naar de stal en ging daar, na even naar het kindje te hebben gekeken, zitten op een balk. De man vroeg hem waar de man was die hem de stal wees. David vertelde hem dat zijn opa die nacht gestorven was.

Intussen werd het druk bij de stal, omdat vele herders uit de omgeving langskwamen om de Verlosser te zien en schonken van hun armoede enkele gaven die uit levensmiddelen bestonden. David wist dat er nu niemand meer voor hem kon zorgen en ging hout sprokkelen. Toen hij daarmee terugkwam nodigde hij de mensen uit de stal in de hut uit en gaf hen het gebraden vlees van het schaap.

Plotseling ontstond er buiten de hut rumoer. Buitengekomen zag David mensen met vreemde rijdieren, die hij nog nooit had gezien. Ook de man komt naar buiten en nodigde hen binnen. Daar knielden drie vreemdelingen voor het kindje en legden diverse geschenken voor Hem neer. David snapte er niets van maar zo vlug als zij gekomen waren, zo spoedig gingen zij weer heen.

De volgende nacht sliep iedereen in de hut. Bij het wakker worden, maande de man aan tot een haastig vertrek. David mag met hen mee, want ze begrepen dat hij niemand meer had die zich om hem bekommerde. Bij het vertrek zette David de deur van de stal open, zodat de schapen een uitweg hadden en zich bij een andere kudde konden aansluiten. Daarna begon voor hen de lange reis naar ……..?

Kerstverhaal 2

Omdat blogger Harrij en ik elkaar de laatste tijd bestoken met Kerstverhalen, is hier mijn volgende.

Wees voorzichtig met het rijden onder invloed, vooral rond de Kerstdagen! Deze boodschap kreeg ik van diverse personen te horen, omdat de politie flink zou gaan controleren. Nou van mij mogen ze, die zuiplappen horen niet achter het stuur, toch?

Gisteravond had ik een Kerstborrel en mijn plan was om niet teveel te drinken, maar zoals altijd was het net iets te gezellig en voor ik het in de gaten had, was ik meer dan aangeschoten. Zelfs van een hele schaal bitterballen voelde ik mij niet opknappen. Ik besloot daarom mijn auto te laten staan en de bus te nemen, en ja hoor, op weg naar huis stond een alcoholfuik waar ze werkelijk iedereen aan het controleren waren!

Wat een mazzelaar voelde ik mij. Ik pak normaal nooit de bus, heb zelfs nog even naar de agenten gezwaaid.
Pffff, ik was anders echt de sjaak geweest! Ik ben veilig thuis gekomen zonder incidenten en dat is bijzonder opmerkelijk, omdat ik nog nooit eerder een Arriva-bus heb bestuurd en ik me ook niet kan herinneren waar ik ‘m vandaan heb gehaald.

Fijne feestdagen allemaal🎅

Kerstverhaal

Er loopt een man achter een slee te duwen door een groot woud ergens in de taiga van Rusland.
Hij is al uren onderweg en de slee duwen is zwaar door de natte papsneeuw.
Vanmorgen is hij reeds vroeg vertrokken uit zijn zelfgebouwde huis, dat staat op een beschutte maar open plek in het reusachtig grote woud.
Hij heeft zijn vrouw en drie kinderen er achtergelaten om te gaan jagen op zilvervossen.
Van de pelzen van deze prachtige dieren wil hij een bontmantel maken voor zijn vrouw om haar zo een kerstcadeau te geven.

Maar het weer zit niet mee deze dag, het is gaan ijzelen en dat maakt de sneeuw slap waardoor hij maar moeizaam vooruit komt.
Hij weet de plaats waar de zilvervossen vertoeven, omdat hij er in het voorjaar veel jonge vossen heeft gezien.
Hij is daar nu naar toe op weg, terwijl de takken van de bomen rondom hem beginnen te kraken, onder het gewicht van het vele ijs dat ze plotseling te dragen krijgen.
’s Morgens was hij nog onder goede omstandigheden vertrokken en omdat hij met de natuur vergroeid is, zegt het hem dat het weer spoedig zal omslaan en dat het hard gaat vriezen.

Hij houdt de moed erin, door eraan te denken hoe mooi zijn vrouw de bontmantel zal vinden. Zij zal hem met stralende ogen bedanken en zich voor hem ronddraaien om te worden bewonderd.
Deze gedachten dwingen hem door te zetten onder de steeds zwaarder wordende omstandigheden.

Als hij eindelijk de plaats heeft bereikt waar hij in het voorjaar vele vossen had gezien, hurkt hij stilletjes achter een struik om de omgeving te verkennen.
Weldra hebben zijn scherpe ogen de sporen in de sneeuw gezien en hij verplaatst zich behoedzaam naar een betere plek om van daaruit te kunnen jagen.
Roerloos wacht hij af en zijn geduld wordt al snel beloond want hij ziet de eerste zilvervos tussen het struikgewas opdoemen.
Voorzichtig schoudert hij zijn geweer en volgt het mooie dier door de zoeker van het wapen.
Net als hij denkt te kunnen schieten werpt een plotseling lichte windvlaag wat ijs van een tak in de buurt van het dier, dat daarvan schrikt en schielijk wegvlucht.

Het blijft maar ijzelen en de wind trekt aan tot stormachtig, waardoor er in het bos steeds meer lawaai ontstaat.
De takken van de bomen kreunen onder de last van de steeds zwaarder wordende ijsmassa. Sommigen knappen spontaan af.
Vlug werpt de man een blik naar boven en ziet dat hij helemaal niet veilig is op deze plek maar net als hij besluit om ergens verderop te gaan kijken, ziet hij plots weer een zilvervos opduiken.
Vlug richt hij zijn geweer en een droge knal klinkt door het bos, maar hij mist de vos door het gehaaste schot. Het beest schrikt enorm en gaat er vliegensvlug vandoor.
Vervolgens komt de man uit zijn schuilplaats en duwt de slee weer voor zich uit.
Op dat moment breekt er een zware tak van de boom waaronder hij schuilde en wordt hij geraakt aan zijn hoofd.
Zwaar gewond stort hij voorover op zijn slee en blijft bewusteloos liggen.
Thuis is zijn vrouw drukdoende met de kinderen in bad te doen, de kleintjes hebben het geweldig naar hun zin in de houten badkuip, die gevuld is met lekker warm water.
Ze spetteren dat het een lust is en ook moeder wordt kletsnat als zij de kleinste eruit tilt om het af te drogen.
Als de kinderen allemaal weer zijn aangekleed, rolt zij de badkuip op zijn kant voorzichtig naar buiten en leegt hem daar.
Haar blik gaat over de bosrand en zij denkt aan haar man die ver in het woud aan het jagen is en zij bidt dat hij veilig terug mag keren.

Ook zij schrikt van het gekraak van de bomen als er een harde windvlaag door het bos waait.
Zij zet de lege badkuip op zijn kant onder het afdak van het huis en op het moment dat zij naar binnen wil gaan, ziet zij vanuit haar ooghoek plots iets bewegen.
Onmiddellijk kijkt zij in die richting en ziet een forse reebok vanuit de rand van het bos de open vlakte op rennen.
Het dier schrikt ook van de vrouw en probeert ijlings weer de beschutting van het bos op te zoeken.
Als het dier de bosrand opnieuw bereikt valt er een boom, zwaar van de ijzel, door een harde windvlaag om en komt op de reebok neer, die daardoor zijn rug breekt en sterft.

De vrouw ziet het ongeluk onthutst gebeuren en vlucht naar binnen waar de kleine
kinderen haar met geschrokken ogen aanstaren.
“Het is buiten niet pluis”, roept de vrouw tegen de kinderen en haar gedachten gaan naar haar man die in het onveilige bos jaagt.
Zij legt de kinderen in bed en bemerkt daarna dat het buiten minder hard waait, waarop zij besluit de reebok te gaan slachten.
Als zij hiermee bezig is, valt de duisternis over het land maar bij het licht van de maan en de sneeuw rondom haar kan zij toch nog goed blijven doorwerken.

Het begint stevig te vriezen en het wordt bitterkoud als zij de stukken vlees op de slee laadt en die wat later op de schappen in de voorraadschuur legt.
Het vlees zal daar snel bevriezen en niet bederven.
Met Kerst zullen zij allemaal genoeg te eten hebben.
Ze werkt snel door, omdat de roofdieren weldra de geur van het bloed zullen ruiken en dat geurspoor zullen volgen.
Even later hoort zij vanuit de verte het gehuil van een wolf, onmiddellijk gevolgd door een andere .
Zij begrijpt dat er een roedel wolven in de buurt is, die weldra zullen opdagen, waarop zij besluit zoveel mogelijk vlees van de reebok in veiligheid te brengen.
Terwijl zij de zoveelste slee met vlees volgeladen richting schuur trekt, kijkt zij om naar het bos achter haar en ziet de glinsterende ogen van de wolven.

Onmiddellijk begint zij te rennen naar de schuur, gooit de deur vliegensvlug open en trekt de slee naar binnen.
Dan sluit zij snel de deur en dat is maar goed ook want een van de wolven is haar achterna gekomen en botste na een grote sprong tegen de buitenzijde van de zojuist gesloten deur aan, waarop hij zich jankend terugtrekt naar zijn soortgenoten, die zich tegoed doen aan het karkas.
Zij stapelt de laatste stukken vlees van de slee op de schappen en gaat via een binnendeur de woning binnen.
Doodvermoeid valt zij even later bij de warme haard op een grote stoel in slaap.
Buiten vechten de wolven om de laatste stukken vlees van de reebok.

Heel ver in het bos, waar de zwaargewonde man over zijn slee heen ligt, sluipen zilvervossen nieuwsgierig om hem heen.
Voorzichtig ruiken ze aan de man en vinden het maar een vreemd object, ook de beschoten zilvervos is erbij en begint licht klinkende jankgeluiden te maken.
Plotseling duikt er een grote zilvervos op en loopt een paar keer om de slee heen, kijkt dan om zich heen en volgt een twintigtal meters het sledespoor.
Vervolgens keert op zijn schreden terug en maakt jankende blafgeluiden die de andere zilvervossen rusteloos door elkaar heen doen draven.

Opeens pakt een sterk uitziende zilvervos het stuk touw dat aan de slee vastzit in zijn bek en trekt eraan.
De grote zilvervos schiet hem te hulp en weldra komt er beweging in de slee.
Ze trekken hem over het spoor waar de slee vandaan is gekomen en op de nu hard bevroren sneeuw lijkt het hen schijnbaar geen moeite te kosten.
Telkens nemen andere zilvervossen het touw over en trekken de slee voort over het nog steeds goed zichtbare spoor.
De hele nacht gaat dit zo voort, tot zij tegen het ochtendgloren de open plek in het bos bereiken waar het huis staat van de man.
Geschraap aan de deur doet de vrouw geschrokken wakker worden in haar stoel en zij springt verward overeind.

Langzaam loopt zij naar de deur en doet hem héél voorzichtig op een kier waarna zij spiedend naar buiten kijkt.
Onmiddellijk valt haar blik op haar man die half op de slee ligt, maar tegelijkertijd ziet zij ook een troep zilvervossen, die vanaf de bosrand nieuwsgierig toekijken naar het tafereel voor hen.
Zij trekt de slee met haar man daarop naar binnen en constateert vrijwel meteen dat hij aan zijn hoofd gewond is.
Eerst steekt zij de haard aan die gedoofd was en hangt een ketel water boven het vuur. Daarna begint zij haar man te verzorgen en als zij het ergste geronnen bloed heeft weggewassen, verbleekt haar gezicht.
Ze kijkt bezorgt naar zijn gekneusde schedel en vreest het ergste maar op dat moment komt haar man kreunend bij en slaat zijn ogen op.
“Je bent bij mij”, zegt ze zacht, “alles komt goed”!
“Zilvervossen”, kreunt haar man.

Als zij opstaat en door het raam naar buiten kijkt, is de troep zilvervossen verdwenen, waarna zij de zorg over haar man weer op zich neemt.
Als het dan Kerstmis wordt, is de man alweer zover opgeknapt dat hij kan lopen en hij stapt voorzichtig om het huis heen.
Aan de rand van het bos ziet hij plots een zilvervos staan, het is het grote dier dat hem gered heeft.
Zij staren een hele poos naar elkaar en de man roept zijn vrouw.
Híj vraagt haar een groot stuk vlees uit de voorraadschuur te halen en het naar de zilvervos te brengen.
Het dier, toch wel wat schuw voor mensen, verdwijnt in het bos als de vrouw nadert die het stuk vlees op de sneeuw neerlegt.

Als zij terugkomt bij haar man, zien beide dat twee zilvervossen het vlees dieper het bos in slepen, terwijl de grote zilvervos hen nog steeds onbewogen aankijkt.
De vrouw en de man zwaaien met tranen in hun ogen naar de zilvervos waarna deze voorgoed in het woud verdwijnt.
De man kijkt ernstig naar zijn vrouw en belooft haar, dat zij nooit een bontmantel van zilvervosbont zal dragen.
Waarop beide lachend het huis binnengaan en blij het Kerstfeest gaan vieren tezamen met hun kinderen.
En de zilvervossen, die hadden ook een goede Kerst.

Zoek verhaal

De tv reclame van de Jumbo doet mij denken aan een kerstverhaal wat ik ooit schreef. Een man gaat het bos in en als die vos verschijnt, herinner ik het mij plots weer. Alleen zou ik niet weten waar ik het moet zoeken op de PC, want in de juiste mappen opslaan was niet mijn sterkste punt. Ik ga zoeken. Mocht ik het vinden dan vertel ik het verhaal aan mijn kleinzoon of zet ik het op mijn blog.